Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
BESCHIKKENDE
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde een verzoek tot opheffing en/of schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Na onderzoek concludeerde het hof dat de verdenking en bezwaren die tot de gevangenhouding leidden nog steeds aanwezig zijn, waardoor opheffing niet mogelijk is.
Het hof overweegt echter dat bij een voorlopige hechtenis die 18 maanden duurt, de persoonlijke belangen van verdachte prevaleren boven de strafvorderlijke belangen. Hierbij is uitgegaan van een opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden, met een rekening gehouden strafvermindering van drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof houdt ook rekening met het tijdstip waarop verdachte, zonder cassatieberoep, in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Op basis hiervan wijst het hof het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toe met ingang van de datum waarop de voorlopige hechtenis 18 maanden heeft geduurd.
Het verzoek tot opheffing wordt afgewezen. De schorsing wordt onder voorwaarden gesteld, waaronder het onthouden van strafbare feiten en gehoor geven aan oproepingen van politie en justitie. De uitspraak is gedaan op 11 juli 2013 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis afgewezen, verzoek tot schorsing toegewezen met ingang van 18 maanden voorlopige hechtenis.