Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Stichting Dierenthuis,
Stichting Dierenthuis naar [plaatsnaam],
– tezamen hierna “Dierenthuis c.s.” te noemen dan wel “Dierenthuis” (appelante sub 1) en “Dierenthuis naar [plaatsnaam]” (appellante sub 2) – als gedaagden en geïntimeerden – hierna “[geïntimeerden]” – als eisers.
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 229836 / HA ZA 11-783)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“De taxateur heeft(hof: tijdens de opname op 3 juli 2009 in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift van [geïntimeerden])
(…) geconstateerd dat er bij het object een penetrante stank waarneembaar was, die afkomstig was van het tegenovergelegen pand van Dierenthuis. (…) betreft dit een uitzonderlijke situatie, waar (…)(hof: naar de mening van de gemeente)
wel rekening mee moet worden gehouden. Zeker omdat uw object zo dicht gelegen is bij de stichting. Daarom zal er een negatieve factor worden opgevoerd bij uw object. Op het moment dat Dierenthuis is vertrokken, zal deze factor weer worden verwijderd.”
“De koopprijs van het verkochte bedraagt: achthonderdduizend euro (EUR 800.000,00) welk bedrag door koper aan verkoper heden moet worden voldaan. Verkoper doet bij deze afstand van voormelde vordering wegens de betaling van de koopprijs om baat in die zin, dat koper per heden erkent aan verkoper schuldig te zijn uit hoofde van geldlening een bedrag groot achthonderdduizend euro (EUR 800.000,00) zodat de koopprijs als zodanig is voldaan, waarvoor kwijting bij deze. De voorwaarden waaronder deze lening geschiedt zijn/worden vastgelegd in een onderhandse akte.”
€ 850.000,- erkent schuldig te zijn aan [naam] uit hoofde van geldlening.
hebben ter onderbouwing van deze vorderingen gesteld – kort gezegd – dat de exploitatie van het perceel, zoals hierboven omschreven tot overlast heeft geleid en [geïntimeerden] in hun positie als schuldeiser zijn benadeeld door de onder 4.2. a) genoemde rechtshandelingen, waardoor zij schade hebben geleden.