Uitspraak
3.Beoordeling van het wrakingsverzoek
4.Conclusie
af;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De verzoeker diende tijdens de voortgezette behandeling van zijn strafzaak een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren mr. J.F. Dekking, mr. S.C. van Duijn en mr. P.J. Hödl. Dit verzoek was gebaseerd op het oordeel van de strafkamer om een vonnis van de rechtbank Maastricht inzake een derde partij toe te laten als processtuk, ondanks een eerdere vrijspraak van de verzoeker in een gerelateerde zaak.
De verdediging stelde dat het inbrengen van dit vonnis door de advocaat-generaal tardief was en in strijd met het onschuldpresumptiebeginsel, waardoor het hof vooringenomen zou zijn. De wrakingskamer onderzocht of deze omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleverden.
Na beoordeling concludeerde de wrakingskamer dat het hof bevoegd was het vonnis toe te laten en dat de advocaat-generaal niet de juistheid van de vrijspraak betwistte. Het enkele feit dat het vonnis werd toegelaten, leidde niet tot een aanwijzing van vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces werd voortgezet in de bestaande stand.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.