Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geintimeerde sub 1.],wonende te [woonplaats],
[geintimeerde sub 2.],wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 164556/HA ZA 11-699)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
telaat was. Artikel 7:23 BW Pro is geschreven om de verkoper te beschermen tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. Alle omstandigheden van het geval moeten daarbij in aanmerking worden genomen. In dit kader merkt het hof op dat [appellante] [geintimeerde sub 1.] reeds in december 2006 op het bestaan van vochtproblematiek heeft gewezen. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad is van belang is of de verkoper nadeel lijdt door het late tijdstip waarop is geklaagd (zie HR 25-03-2011, LJN BP8991 en HR 08-02-2013, LJN BX7195, BX7846 en BY4600). De rechter dient enerzijds rekening te houden met het voor de schuldeiser ingrijpende gevolg van het te laat protesteren – te weten het verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds met de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop de klacht is gedaan. Het ligt op de weg van de schuldenaar dat nadeel te concretiseren. In eerste aanleg en in de memorie van antwoord heeft [geintimeerde sub 1.] niet gesteld dat hij nadeel heeft geleden door de late klacht van [appellante], hij heeft enkel gesteld dat [appellante] de problematiek niet tijdig heeft aangekaart. Voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft [geintimeerde sub 1.] aangevoerd dat hij door het verstrijken van de tijd nadeel heeft ondervonden, omdat hij bij tijdig klagen maatregelen had kunnen nemen. Het hof is van oordeel dat deze stelling van [geintimeerde sub 1.] zo weinig concreet is, terwijl die bovendien in het geheel niet nader is onderbouwd, dat het hof het door [geintimeerde sub 1.] gestelde nadeel onvoldoende aangetoond acht. Dat leidt tot de conclusie dat het verweer dat [appellante] te laat heeft geklaagd, wordt verworpen.