Appellante exploiteerde van 2007 tot 2010 een eenmanszaak en verzocht in 2010 om toepassing van de schuldsaneringsregeling, wat werd afgewezen wegens gebrek aan goed vertrouwen. Vervolgens werd zij in 2011 op verzoek van een derde failliet verklaard. Een eerste verzoek tot omzetting van dit faillissement in een schuldsaneringsregeling werd in 2012 afgewezen en dit vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd.
Appellante deed in 2013 een tweede omzettingsverzoek, dat eveneens werd afgewezen. Het hof oordeelde dat een omzettingsverzoek slechts eenmaal kan worden gedaan indien een eerder verzoek tot opheffing van een door een derde bewerkstelligd faillissement en omzetting in een schuldsaneringsregeling is afgewezen. Tevens ontbrak het aan voldoende aannemelijkheid dat appellante te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verklaarde appellante niet-ontvankelijk in haar tweede omzettingsverzoek. De inhoudelijke gronden van afwijzing bleven daarmee ongewijzigd, maar het verzoek kon niet opnieuw worden behandeld vanwege de wettelijke beperking.