Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2013:5121

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
30 oktober 2013
Zaaknummer
HV200.133.403_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287 lid 2 FwArt. 360 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject en 285 Fw-verklaring

Appellante heeft bij het gerechtshof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, waarin haar verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat appellant geen minnelijk traject had doorlopen en geen verklaring als bedoeld in artikel 285 van Pro de Faillissementswet had overgelegd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft appellant haar standpunten toegelicht, maar het hof heeft vastgesteld dat zij niet-ontvankelijk is in haar beroep. Dit volgt uit de jurisprudentie van het hof en de Hoge Raad, die bepalen dat zonder het doorlopen van een minnelijk traject en het overleggen van een juiste 285 Fw-verklaring geen hoger beroep mogelijk is.

Het hof verwijst naar eerdere arresten waarin is bevestigd dat tegen een beslissing tot niet-toelating op grond van artikel 287 lid 2 Faillissementswet Pro geen hoger beroep openstaat. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het ontbreken van een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke schuldregeling toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.

Daarom verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in haar beroep en bevestigt het de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep wegens het ontbreken van een minnelijk traject en een vereiste 285 Fw-verklaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht
Uitspraak: 15 oktober 2013
Zaaknummer: HV 200.133.403/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/04/123679/FT RK 13/432
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingplaats Roermond, van 2 september 2013.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 september 2013, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en op [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren, althans aan [appellante] alsnog 120 dagen de gelegenheid te bieden om de minnelijke regeling rond te krijgen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2013.
Bij die gelegenheid is [appellante] gehoord, bijgestaan door mr. Van der Leeuw.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 augustus 2013;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 24 september 2013;

3.De beoordeling

3.1.
[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) blijkt dat het geen minnelijk traject is gestart, omdat volgens bureau schuldhulp gemeente Roermond de situatie van [appellante] nog niet stabiel genoeg.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat er in het geheel geen minnelijke schuldregeling is uitgevoerd.
3.3.
[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
Voor wat betreft de stellingen van [appellante] verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift en naar hetgeen ter zitting in hoger beroep door en namens [appellante] is aangevoerd.
3.5.
Het hof is van oordeel dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.
3.5.1.
Het hof verwijst in dat verband naar het arrest van dit hof van 17 december 2012 met zaaknummer HV 200.116.611/01. In dit arrest heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat schuldenaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, nu geen minnelijk traject is doorlopen en schuldenaar daarnaast heeft verzuimd een zogenaamde 285 Fw-verklaring over te leggen, met daarin een toelichting op het ontstaan van de schulden.
Van die beslissing heeft schuldenaar beroep in cassatie ingesteld.
Met betrekking tot het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (12/05891, LJN-nummer: BZ1064) op het cassatieberoep van schuldenaar, heeft AG Wuisman in zijn conclusie betoogd dat tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid geen hogere voorziening, dus ook geen hoger beroep, openstaat. Dit volgt uit artikel 360 Fw Pro en het ontbreken van een regeling in titel III van de Faillissementswet, die voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep tegen een beslissing op de voet van artikel 287 lid 2 Fw Pro.
3.5.2.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontbreken van een (voldoende inzichtelijke) verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub d Fw Pro toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
Kennelijk heeft de rechtbank bedoeld te verwijzen naar artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro nu daarin onder meer is bepaald dat in het verzoekschrift dient te worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Zoals uit het bestreden vonnis blijkt is in het kader van het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling in het geheel geen poging ondernomen om tot een schuldregeling te komen.
Nu tegen deze beslissing van de rechtbank geen hogere voorziening, dus ook geen hoger beroep, openstaat dient [appellante] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoeken in hoger beroep.
3.6.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, Th.A. Pouw en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.