Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.V.O.F. [Slagerij],gevestigd te [vestigingsplaats],
[geïntimeerde 2.],wonende te [vestigingsplaats],
[geïntimeerde 3.],wonende te [vestigingsplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant bracht hoger beroep aan tegen een vonnis van de rechtbank Limburg en werd in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen vier weken na aanbrengen van de zaak te voldoen. Appellant betaalde het griffierecht echter ruim een week te laat.
De advocaat van appellant voerde een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv aan, stellende dat sprake was van overmacht door het uitblijven van een nota en onduidelijkheid over betaling. Tevens werd aangevoerd dat ontslag van instantie tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, mede vanwege de positie van appellant als werknemer in de onderliggende arbeidsrechtelijke procedure.
Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling duidelijk voorschrijft dat het griffierecht binnen vier weken na eerste uitroeping moet zijn voldaan en dat het niet vereist is dat een nota of herinnering wordt gestuurd. De advocaat had voldoende informatie en kennis om tijdig te betalen. Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen, evenals het betoog dat de aanmaning van het hof een verlenging van de betalingstermijn inhield. Ook werd geen schending van artikel 6 EVRM Pro vastgesteld. Geïntimeerden werden ontslagen van deze instantie en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Ontslag van instantie wegens te late betaling van griffierechten; appellant veroordeeld in proceskosten.