ECLI:NL:HR:2012:BV2020

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03496
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • J.C. van Oven
  • F.B. Bakels
  • W.D.H. Asser
  • C.E. Drion
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 427b RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig voldaan griffierecht

Atrecht Holding heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Leeuwarden betreffende haar faillietverklaring. Het cassatieberoep werd ingediend op 29 juli 2011, maar het door haar verschuldigde griffierecht van € 710,-- werd niet binnen de wettelijke termijn van vier weken voldaan.

De Hoge Raad overwoog dat de heffing van griffierechten een wettelijke beperking vormt op het recht van toegang tot de rechter, maar dat deze beperking niet onverenigbaar is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zolang het recht op toegang niet in zijn kern wordt aangetast. In deze zaak was niet gebleken dat Atrecht Holding niet in staat was het griffierecht te voldoen, bijvoorbeeld door bijdragen van bestuurders of aandeelhouders.

Daarom verklaarde de Hoge Raad Atrecht Holding niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk is behandeld vanwege het niet voldoen aan de procedurele vereisten omtrent griffierechten.

Uitkomst: Atrecht Holding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

27 januari 2012
Eerste Kamer
11/03496
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ATRECHT HOLDING BVBA,
gevestigd te Borgloon, België,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
COÖPERATIEVE RABOBANK NOORD OOST VELUWE U.A.,
gevestigd te Epe,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Atrecht Holding en de bank.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaak 200.088.433 van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 juli 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Atrecht Holding beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bank heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De advocaat van Atrecht Holding heeft op 29 september 2011 op die conclusie gereageerd.
3. De ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Het verzoekschrift in de onderhavige zaak is ingediend op 29 juli 2011. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken diende Atrecht Holding ervoor te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van haar verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 26 augustus 2011, maar Atrecht Holding heeft het griffierecht niet binnen die termijn voldaan. Dat brengt mee dat zij op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met
art. 427b Rv. niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep.
3.2 In de hiervoor in 2 vermelde reactie betoogt mr. Garretsen, onder verwijzing naar het financieel verslag dat de curator in het faillissement van Atrecht Holding heeft ingezonden ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis van faillietverklaring, dat Atrecht Holding niet in staat mag worden geacht een bedrag van € 710,-- aan griffierecht tijdig te voldoen. Daarom zouden de bepalingen van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. buiten toepassing moeten blijven wegens strijdigheid met art. 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3 Zoals, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, is uiteengezet onder 2.11 - 2.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer voor HR 8 juli 2011, LJN BQ3883, is de in art. 6 lid 1 EVRM Pro geregelde vrijheid van toegang tot de rechter niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor de hoger beroeps- en de cassatie-instantie, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken.
De heffing van griffierechten is derhalve weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met art. 6 EVRM Pro, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast.
3.4 In dit geval is niet gebleken dat Atrecht Holding, die blijkens haar vierde cassatiemiddel ook in cassatie nog voortbouwt op haar betwisting dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, niet in staat is het verschuldigde griffierecht van € 710,-- te voldoen, eventueel door bijdragen van belanghebbenden zoals bestuurders of aandeelhouders. Niet blijkt daarom dat de heffing van dit bedrag het recht van Atrecht Holding op toegang tot de cassatierechter in de kern aantast.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart Atrecht Holding niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 27 januari 2012.