Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Stichting [stichting],
Stichting [stichting] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak ging het om een beschikking van de voorzieningenrechter die op verzoek van een statutair benoemingsgerechtigde drie personen benoemde tot leden van de Raad van Toezicht van een stichting. Verzoekers in hoger beroep wilden deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad laten verklaren en het beroep van verweerder niet-ontvankelijk laten verklaren.
Het hof oordeelde dat de benoeming niet krachtens een wettelijke bepaling, maar uit welwillendheid op basis van de statuten van de stichting was gedaan. Hierdoor was het geen rechterlijke uitspraak in materiële zin en was het hof niet bevoegd om het hoger beroep te behandelen. Artikel 261 en Pro 358 Rv, die het hoger beroep regelen tegen eindbeschikkingen in verzoekschriftzaken, waren niet van toepassing omdat het verzoek niet uit de wet voortvloeide.
Ook werd overwogen dat het hof geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad kon geven en dat het verzoek in hoger beroep niet ontvankelijk was. Verzoekers werden daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zag geen reden voor een tussenarrest of cassatieberoep en wees een proceskostenveroordeling af omdat ook verzoekers zich door de vorm van het besluit hadden laten misleiden.
Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van rechtsmacht voor het hoger beroep.