Appellant was van 2000 tot 2005 en vervolgens vanaf 26 juni 2006 in dienst bij het uitzendbureau, waarbij in de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding was opgenomen. Appellant stelde dat het concurrentiebeding was geëindigd omdat hij per 1 mei 2007 in dienst zou zijn getreden bij de Belgische zustervennootschap, wat door de Belgische rechter werd ontkend.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst na 26 juni 2007 stilzwijgend was verlengd en daarmee het concurrentiebeding bleef gelden. Appellant voerde meerdere grieven aan, waaronder wijziging van werkzaamheden en dringende reden voor onmiddellijke opzegging, maar kon deze niet voldoende onderbouwen.
Het hof bevestigde dat het concurrentiebeding ook na stilzwijgende verlenging van kracht bleef, dat de Belgische rechter het ontbreken van een arbeidsovereenkomst met de zustervennootschap had vastgesteld en dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor dringende reden. Het verzoek tot matiging van het concurrentiebeding werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
Uiteindelijk werden alle grieven van appellant verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het uitzendbureau.