Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 142341 / HA ZA 09-861)
2.Het geding in hoger beroep
- niet-ontvankelijkverklaring van de gemeente in haar vorderingen dan wel ontzegging van deze vorderingen en
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“verboden toegang”geplaatst. Volgens [appellant] is het door de gemeente genoemde, aan zijn percelen grenzende voetpad er feitelijk nimmer geweest en hebben er ook geen voetgangers gelopen. Op de in de loop van het pad gelegen graft is altijd sprake geweest van een ondoordringbare begroeiing, zodat daar nooit een wandelaar heeft kunnen lopen. Het (niet begroeide, toevoeging hof) koeienpad dwars over de graft, dat maakt dat de koeien van [appellant] van perceel [woonplaats] [perceelnummer 10] naar perceel [woonplaats] [perceelnummer 2] kunnen lopen, is er al sinds de jaren zestig. Aan het begin van het door de gemeente gestelde pad ligt perceel [woonplaats] [perceelnummer 14], dat in eigendom is van een zekere mevrouw [eigenaresse] (hierna “[eigenaresse]”). Zij had op de strook grond waar het vermeende voetpad loopt een tennisbaan en een zwembad aangelegd en werd in 2006 door de gemeente aangeschreven het voetpad weer ter beschikking van de gemeente te stellen. De tennisbaan en het zwembad lagen toen echter al ruim twintig jaar op de betreffende strook grond. [eigenaresse] heeft zich evenwel neergelegd bij de eis van de gemeente om een geschil te voorkomen. Ook [appellant] heeft een conflict met de gemeente willen vermijden en een periode gedoogd dat wandelaars over zijn weilanden liepen. Dit heeft echter allerlei, het bedrijf van [appellant] bedreigende en voor de wandelaars gevaarlijke situaties doen ontstaan. Zo brengen de honden van de wandelaars ziekten mee, bijten zij de koeien van [appellant] en kunnen de stieren van [appellant], die door de door de gemeente bedoelde afscheiding niet worden tegengehouden, de wandelaars verwonden. Ook laten de honden van de wandelaars uitwerpselen achter in het hooiland van [appellant], waardoor dit hooi als bron van inkomsten onbruikbaar wordt. Verder bleken wandelaars naar de woning en stallen van [appellant] te lopen, waardoor de privacy van [appellant] werd geschaad. [appellant] heeft daarom het vermeende voetpad weer afgesloten. [appellant] heeft er bij zijn bedrijfsvoering overigens belang bij dat zijn koeien en stieren vrij kunnen bewegen van het ene perceel naar het andere. De toewijzing van onderhavige vordering van de gemeente maakt dat de bedrijfsvoering zodanig wordt belemmerd dat [appellant] zijn bedrijf zal moeten sluiten, althans verkleinen. Ook wordt een op het vermeende voetpad gelegen dassenburcht door de wandelaars en hun honden bedreigd.
.De gemeente heeft erkend dat [appellant] de grond in gebruik heeft genomen doch heeft aangevoerd dat van bezit geen sprake kan zijn, omdat de aanwezige stegels (draaipoortjes), het prikkeldraad ter plekke en het feit dat de gemeente onderhoudswerkzaamheden aan het pad liet verrichten duidelijk lieten zien, dat de macht van de gemeente niet was geëindigd. Ook hebben wandelaars steeds het pad betreden. Het hof begrijpt hieruit dat de machtsuitoefening van [appellant] naar de stellingen van de gemeente in het licht van deze feiten niet kwalificeert als bezit. Volgens [appellant] was het perceel door de door hem aangebrachte versperring niet meer begaanbaar. De door [appellant] gestelde feitelijke situatie leidt naar het oordeel van het hof in beginsel tot de conclusie dat sprake is geweest van bezit.
“Over perceel [perceelnummer 13] was een opening naar de naast gelegen weilanden, links en rechts afgezet met ijzer”.Volgens deze verklaring was perceel [perceelnummer 13] dus juist niet afgesloten [eigenaresse] heeft evenmin over een afsluiting door [appellant] verklaard. Ook uit de verklaringen van [echtgenote appellant], [ambtenaar gemeente], [broer appellant], [jager] en de verklaring van de in contra-enquête gehoorde getuige [getuige 3] (buurtbewoner), waar [appellant] zich ook op heeft beroepen, valt niet af te leiden dat perceel [perceelnummer 13] sinds 1988 (of 1989) was afgesloten. Ook overigens is op dit punt geen bewijs bijgebracht. Dat de borden met de tekst
“verboden toegang”in 1988 (of 1989) reeds waren geplaatst is in het geheel niet aangetoond. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan dat [appellant] zich reeds sinds 1988 (of 1989) de feitelijke macht over perceel [perceelnummer 13] had verschaft met de pretentie rechthebbende te zijn. Het enkele gebruik, voor zover daarvan sprake was sinds 1988 (of 1989), is voor die gevolgtrekking onvoldoende. Nu reeds hierdoor niet kan worden vastgesteld dat in 1988 (of 1989) sprake is geweest van bezit van de bewuste grond door [appellant] kan het beroep van [appellant] op verkrijging door extinctieve verjaring niet slagen. Voor zover het pad niet zichtbaar was, de gemeente geen gebruik meer heeft gemaakt van perceel [perceelnummer 13](, er geen wandelaars hebben gelopen) en er door de gemeente geen werkzaamheden aan het pad zijn verricht, kunnen die omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat het gebruik van [appellant] als bezit dient te worden geduid. Deze punten behoeven daarom geen nadere bespreking.
vele honderdduizenden euro’s”zouden bedragen. Deze opgave is in het licht van het door de gemeente voorgestelde prikkeldraadafzetting en ook overigens onvoldoende toegelicht en gespecificeerd. Dat de koeien en stieren zich na het aanbrengen van genoemde afscheiding niet vrij meer kunnen bewegen over alle percelen van [appellant] is juist, omdat het totale grondgebied zal zijn verdeeld in twee grote afgescheiden delen en één klein afgescheiden deel en deze delen alleen nog bereikbaar zullen zijn vanuit een ander deel via toegangshekken. Gesteld noch gebleken is echter dat [appellant] zijn koeien niet over deze drie delen zou kunnen verspreiden en de stieren zou kunnen laten circuleren, althans onduidelijk is gebleven in welke mate het tijdelijk niet mogelijk zijn van contact tussen (één van) de stieren en een koe in deze situatie nadelig voor de bedrijfsvoering van [appellant] zou zijn ten opzichte van de situatie waarin het gehele grondgebied toegankelijk voor alle koeien en stieren is. De stelling van [appellant] dat zijn bedrijfsvoering zodanig wordt belemmerd dat hij zijn bedrijf zal moeten sluiten, althans verkleinen, is onvoldoende geconcretiseerd.