ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ1943

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
HV 200.112.685-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 805 RvArt. 806 RvArt. 358 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vader in hoger beroep inzake kinderalimentatiebijdrage

In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vader centraal, die zich verzet tegen een beschikking van de rechtbank Breda waarin hij werd verplicht een maandelijkse bijdrage van €500 te betalen voor de verzorging van zijn kind.

De moeder had het verzoekschrift ingediend en dit naar het oude adres van de vader gestuurd. Hoewel de vader op de hoogte was van de procedure en zijn adreswijziging niet had doorgegeven, ontving hij de beschikking op het oude adres. De beroepstermijn van drie maanden ging daarmee in op de datum van verzending, 10 mei 2012.

De vader diende zijn beroepschrift pas op 3 september 2012 in, ruim na het verstrijken van de termijn. Het hof oordeelde dat dit voor zijn rekening en risico kwam, aangezien hij voldoende gelegenheid had om tijdig beroep in te stellen. Ook het feit dat hij binnen de beroepstermijn brieven ontving die wezen op de beschikking, versterkte dit oordeel.

Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2013.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 14 februari 2013
Zaaknummer: HV 200.112.685/01
Zaaknummer eerste aanleg: 246334 FA RK 12-1013
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N. van Luijk,
tegen
[Y.]
wonende te [woonplaats],
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.G.M. Baas.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 10 mei 2012.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 september 2012, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de moeder alsnog af te wijzen.
2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2012, heeft de moeder primair verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het verzoek van de vader af te wijzen als onbewezen dan wel ongegrond.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Van Luijk;
- de moeder, bijgestaan door mr. Baas.
2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [kind] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.
Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 12 november 2012. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 21 december 2012;
- het faxbericht van de rechtbank d.d. 10 januari 2013 zoals aan partijen voorgehouden ter zitting.
3. De beoordeling
3.1. Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats][kind] geboren.
De moeder is belast met het gezag over [kind] en [kind] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.
3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging van [kind] moet voldoen een bedrag van € 500,- per maand met ingang van 29 februari 2012.
3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep
3.4.1. Artikel 806 lid 1 sub a van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van art. 358 Rv Pro, door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden van een beschikking hoger beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
3.4.2. Ingevolge art. 805 Rv Pro verstrekt of verzendt de griffier onverwijld een afschrift van de beschikking aan de verzoeker, de verschenen belanghebbenden en de niet verschenen belanghebbenden aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden.
3.4.3. De bestreden beschikking dateert van 10 mei 2012. Het beroepschrift van de vader is ingekomen ter griffie van het hof op 3 september 2012.
De moeder stelt dat de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij niet binnen de beroepstermijn heeft geappelleerd.
3.4.4. De vader voert aan dat hij begin 2012 een brief heeft ontvangen van de advocaat van de moeder, enkele weken later gevolgd door het inleidende verzoekschrift. Vervolgens heeft hij, zo stelt de vader, in het geheel niets vernomen van de moeder en/of de rechtbank. De bestreden beschikking is niet door hem ontvangen of aan hem betekend. Pas nadat hij op 11 juni 2012 door de gemeente [woonplaats] is aangeschreven in verband met een verhaalsonderzoek, is het de vader duidelijk geworden dat de rechtbank een beschikking inzake kinderalimentatie had gewezen. Op 15 augustus 2012 is de beschikking opgevraagd bij de rechtbank en pas met de ontvangst van deze beschikking op 23 augustus 2012 is het voor de man duidelijk geworden dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dient te voldoen.
3.4.5. Uit de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken.
De advocaat van de moeder heeft op 16 februari 2012 het adres van de vader opgevraagd bij de gemeentelijke basisadministratie. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat de vader op dat moment woonachting was op “[straatnaam 1] te [woonplaats]”.
Voorts blijkt uit dit uittreksel dat de vader zich op 17 februari 2012 heeft gevestigd op het adres “[straatnaam 2]te [woonplaats]”.
De moeder heeft op 29 februari 2012 het inleidende verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Breda. Dit verzoekschrift is ook aan de vader verzonden aan het adres “[straatnaam 1] te [woonplaats]”.
Blijkens het beroepschrift heeft de vader, het bij de rechtbank ingediende verzoekschrift van de moeder, enkele weken nadat hij begin 2012 een brief van de advocaat van de moeder had gekregen, ontvangen. Uit het verzoekschrift van de moeder kan worden afgeleid dat de door de vader genoemde brief aan hem is toegezonden op 25 januari 2012, zodat op basis van de eigen stellingen van de vader ervan uit kan worden gegaan dat de vader het verzoekschrift kort na 29 februari 2012, het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, heeft ontvangen.
Uit het faxbericht van de rechtbank van 10 januari 2013 blijkt dat de rechtbank de bestreden beschikking op 10 mei 2012 heeft verzonden aan de vader op het adres “[straatnaam 1] te [woonplaats]”.
3.4.6. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vader is, aan te merken als een ‘niet verschenen belanghebbende aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden’ in de zin van art. 805 Rv Pro. Op grond van voornoemd artikel had aan hem een afschrift van de beschikking moeten worden gezonden, hetgeen blijkens het faxbericht van de rechtbank van 10 januari 2013 ook is gebeurd. Dat dit afschrift aan een verkeerd adres is gezonden komt, naar het oordeel van het hof, voor rekening en risico van de vader. De vader was immers op de hoogte van de procedure en van het feit dat de rechtbank beschikte over zijn oude adres. Het had derhalve op de weg van de vader gelegen om zowel de rechtbank als de moeder schriftelijk te informeren over zijn nieuwe adres.
Aangezien de bestreden beschikking op 10 mei 2012 aan de vader is toegezonden, is de beroepstermijn ingevolge art. 806 Rv Pro op die datum aangevangen en had de vader derhalve zijn beroepschrift uiterlijk op 10 augustus 2012 moeten indienen. Nu dit niet is gebeurd, dient het hoger beroep van de vader niet als tijdig te worden aangemerkt en is hij derhalve niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Ten overvloede overweegt het hof dat de vader ook heeft erkend in juni en juli 2012, derhalve binnen de beroepstermijn, brieven te hebben ontvangen van de gemeente [woonplaats] en het LBIO waarin hem gewezen is op de beschikking van de rechtbank. Pas in augustus 2012 heeft de vader actie ondernomen door de bewuste beschikking op te vragen waarna eerst op 3 september 2012 het beroepsschrift is ingediend. De vader had derhalve voldoende mogelijkheid om binnen de lopende appeltermijn beroep in te stellen. Dat de vader ervoor kiest niet eerder actie te ondernemen dient voor zijn rekening en risico te blijven.
4. De beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingediende hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, J.H.J.M Mertens-Steeghs en O.G.H. Milar en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2012.