ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ4058
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep kort geding
- C.M. Aarts
- C.E.L.M. Smeenk-Van der Weijden
- M.J.G.W.M. Stienissen
- Rechtspraak.nl
Geen loonbetaling na beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden ondanks voortzetting onderneming
In deze zaak stond centraal of de arbeidsovereenkomst van appellant met geïntimeerden rechtsgeldig was beëindigd per 31 december 2011. Appellant voerde aan dat het bedrijf niet was opgeheven maar voortgezet onder een nieuwe naam, JTC, en dat hij daarom recht had op loonbetaling na die datum.
Het hof stelde vast dat partijen in september 2011 schriftelijk overeenkwamen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 31 december 2011. De handtekening van appellant op de beëindigingsovereenkomst werd niet als louter ontvangstbevestiging gezien, maar als instemming met beëindiging. De stelling van appellant dat hij niet had ingestemd werd verworpen.
Hoewel appellant zich op 4 januari 2012 bij JTC meldde om werkzaamheden te verrichten, werd hem dat geweigerd. Het hof oordeelde dat de loonvordering vanaf 1 januari 2012 daarom niet toewijsbaar was jegens geïntimeerden, mede omdat geen toestemming van het UWV voor opzegging was verkregen maar dit niet vereist was bij beëindiging met wederzijds goedvinden.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de loonvordering af. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de loonvordering af en bevestigt de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2011.