ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5758
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- G.J. van Muijen
- J. Swinkels
- P.C. van der Vegt
- Rechtspraak.nl
Geen recht op verhoging gecombineerde heffingskorting bij niet-vorderbaar inkomen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2007 waarbij de gecombineerde heffingskorting geheel werd teruggenomen. Dit omdat het inkomen van haar echtgenoot over dat jaar nihil was, vanwege een geschil met zijn werkgever waardoor het salaris pas in 2011 werd uitbetaald.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen recht had op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting omdat het inkomen van haar echtgenoot niet vorderbaar en inbaar was in 2007. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. Het hof benadrukt dat de inspecteur de wettelijke regels correct heeft toegepast en dat de rechter niet bevoegd is om onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 63 AWR Pro te beoordelen.
Belanghebbende voerde aan dat het prepensioen/FPU-uitkering wel vorderbaar was, maar het hof stelt dat dit afhankelijk was van voorwaarden die niet waren vervuld. Ook het beroep op zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginselen uit de Awb wordt verworpen. Het hof wijst erop dat de wet dwingendrechtelijk is en dat de rechter niet mag toetsen aan ongeschreven rechtsbeginselen of de billijkheid van de wet.
Ten slotte wijst het hof het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd zonder recht op verhoging van de gecombineerde heffingskorting.