Appellanten zijn sinds 1989 eigenaar van een bungalow met tuin en hebben drie aangrenzende stroken grond die volgens het kadaster eigendom van de gemeente zijn. In eerste aanleg werd geoordeeld dat twee stroken grond door extinctieve verjaring eigendom van appellanten waren geworden, maar de tussengelegen gele strook niet.
De gemeente stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat de grootste gele strook grond door verjaring eigendom was geworden van appellanten. Het hof beoordeelde of appellanten deze strook met de pretentie van eigendom in bezit hadden gehad gedurende twintig jaar.
Het hof oordeelde dat het plaatsen van een nummerbord en het aanleggen van een pad geen bewijs vormen van eigendomsvoorbehoud. Ook het onderhoud en de beplanting waren onvoldoende concreet om bezit met pretentie van eigendom aan te tonen. Daarom werd het vonnis vernietigd voor deze strook, de vordering van appellanten afgewezen en de vordering van de gemeente toegewezen.
Appellanten werden veroordeeld het gebruik van de grootste gele strook te beëindigen en terug te betalen wat reeds aan hen was voldaan. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.