In deze zaak heeft de verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, bestaande uit mr. Mooy, mr. Van Daalen-Mannaerts en mr. Coster. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en het niet honoreren van onderzoekswensen in een ontnemingszaak. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria voor wraking.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de verzoeker bekend was met de relevante feiten en omstandigheden op het moment van de afwijzing van zijn verzoek tot het horen van getuigen op 11 oktober 2013, terwijl het wrakingsverzoek pas op 28 maart 2014 werd ingediend. Daarnaast was het argument over het 'OM-verleden' van een van de rechters onvoldoende onderbouwd en niet relevant voor de ontnemingszaak.
De wrakingskamer stelde vast dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden rechtvaardigen. Ook de door verzoeker aangevoerde klachten over de behandeling van de zaak en onderzoekswensen waren onvoldoende gerelateerd aan de strafkamer en de ontnemingszaak. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure in de hoofdzaak werd voortgezet.