In deze gecombineerde WOZ- en OZB-zaak is het hoger beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak behandeld. De heffingsambtenaar is met kennisgeving niet verschenen, hetgeen het hof betreurt en afkeurt vanwege het belang van mondelinge uitwisseling en behoorlijke procesvoering.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak primair vastgesteld op basis van een taxatierapport van februari 2012, waarbij gebruik is gemaakt van de Taxatiewijzer Agrarische gebouwen en referentieobjecten. Belanghebbende voerde meerdere grieven aan, waaronder een te hoge waarde, onjuiste houtsoort in de taxatie, en een waardedrukkend effect van een nabijgelegen flat.
Het hof oordeelt dat de WOZ-waarde van €395.000 niet te hoog is. De eerdere WOZ-waarde uit 2004 is niet relevant voor de peildatum 2009. De gebruikte houtsoort heeft geen waardedrukkend effect, en de referentieobjecten zijn subsidiair en kunnen buiten beschouwing blijven. De aanwezigheid van de flat leidt niet tot waardedruk, zoals door de heffingsambtenaar gemotiveerd is.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.