Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante was sinds 28 december 2010 onderworpen aan de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank had vastgesteld dat zij toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, met name door het laten ontstaan van een boedelachterstand van circa €3.100, en had daarom geen schone lei verleend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij aanvullend had gesolliciteerd ondanks arbeidsongeschiktheid en dat zij door schenkingen van derden in staat was de boedelachterstand weg te werken. Het hof oordeelde dat de toerekenbare tekortkoming vaststaat en dat het fourneren van bedragen door derden niet wegneemt dat appellante zelf ernstig in gebreke is gebleven.
Het hof verwees naar een eerder arrest waarin appellante een laatste kans was gegeven, maar constateerde dat zij slechts sporadisch betalingen had verricht en niet had voldaan aan haar afdrachtverplichtingen. De bewindvoerder had vergeefs pogingen gedaan om een voorstel tot inlopen van de achterstand te verkrijgen.
Gezien de ernst van de tekortkomingen en het ontbreken van bijzondere omstandigheden om deze buiten beschouwing te laten, bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. Een verlenging van de regeling was niet aan de orde, mede vanwege het verwijt dat appellante treft.
Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 13 februari 2014 en bekrachtigt het eerdere vonnis zonder toekenning van de schone lei.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de schuldsaneringsregeling van appellante wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei wegens toerekenbare tekortkomingen.