In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg waarbij zijn voormalig bewindvoerder werd ontslagen en een opvolgend bewindvoerder werd benoemd. Appellant verzocht tevens om opheffing van het beschermingsbewind over zijn goederen, stellende dat de oorspronkelijke redenen voor het bewind niet meer aanwezig zijn vanwege zijn herstel van verslavingsproblematiek.
Het hof overwoog dat sinds 1 januari 2014 nieuwe wettelijke bepalingen gelden voor beschermingsbewind en dat deze van toepassing zijn. Het verzoek tot opheffing van het bewind werd afgewezen omdat appellant zijn stellingen niet had onderbouwd met verklaringen van behandelaars of huisarts, waardoor het hof aannam dat de oorspronkelijke gronden nog steeds aanwezig zijn.
Daarnaast werd het beroep tegen het ontslag van de voormalig bewindvoerder en de benoeming van de opvolgend bewindvoerder verworpen. Het ontslag was op eigen verzoek van de bewindvoerder en dient dan steeds te worden verleend. Ook had appellant geen inhoudelijke bezwaren tegen de benoeming van de opvolgend bewindvoerder ingebracht.
Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het hof in de hoofdzaak besliste. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het hoger beroep van appellant verworpen.