Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk nalaten van het verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op bijstand. Hij stelde in hoger beroep dat de verkopen slechts incidenteel waren en geen substantiële inkomsten opleverden, waardoor geen meldingsplicht bestond.
Het hof overwoog dat volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep de opbrengst van incidentele verkoop van privé-goederen niet als inkomen wordt aangemerkt en dus niet gemeld hoeft te worden. Echter, de door verdachte verkochte goederen bestonden uit diverse auto's en auto-onderdelen die niet als privé-goederen konden worden beschouwd.
Gezien de frequentie en professionaliteit van de verkopen, die plaatsvonden vanuit een garage waar verdachte actief was, oordeelde het hof dat sprake was van betrekkelijk intensieve werkzaamheden en derhalve van inkomen dat gemeld had moeten worden. Het hof verwierp het verweer en bevestigde het vonnis van de politierechter.