Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Cafetaria-Croissanterie], [Cafetaria-Croissanterie],gevestigd te [woonplaats],
[appellante 2],wonende te [woonplaats],
[appellant 3],wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep tegen het ontslag op staande voet van een bedrijfsleidster bij een cafetaria, wegens vermeende werkweigering. De werknemer was gedurende onderhandelingen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon. Ondanks sommatie verscheen zij niet op het werk, waarna ontslag op staande voet werd gegeven.
Het hof beoordeelde of de weigering tot werkhervatting een dringende reden vormde in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro. Gelet op de omstandigheden, waaronder de vrijstelling van werkzaamheden en het ontbreken van duidelijke mededelingen dat de onderhandelingen waren beëindigd, oordeelde het hof dat geen dringende reden bestond.
Het hof benadrukte dat het laatste voorstel tot beëindiging niet was geaccepteerd en dat geen duidelijke communicatie volgde dat de onderhandelingen waren beëindigd. De opdracht tot werkhervatting was niet redelijk gezien de verstoorde arbeidsrelatie en de lopende onderhandelingen.
Daarom werd het ontslag op staande voet als nietig beoordeeld en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens werkweigering is niet gerechtvaardigd en wordt nietig verklaard.