In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant tijdens zijn werkzaamheden was blootgesteld aan een voor de gezondheid gevaarlijke stof, Casifos M75, en of hij daardoor gezondheidsklachten had opgelopen. Het hof benoemde een deskundige die uitgebreid onderzoek deed naar de medische situatie van appellant en de mogelijke relatie met de blootstelling.
De deskundige stelde vast dat appellant leed aan gastro-oesofageale refluxziekte en gastroparese, diagnoses die losstaan van het ongeval en ook zonder blootstelling aan Casifos M75 hadden kunnen ontstaan. De klachten die appellant na het ongeval had ervaren waren waarschijnlijk van acute aard en verdwenen binnen enkele dagen. Er was geen bewijs dat de huidige chronische klachten het gevolg waren van de blootstelling.
Appellant voerde aan dat er sprake kon zijn van een predispositie waardoor hij langdurige klachten ondervond, en verzocht om omkering van de bewijslast. Het hof verwierp dit omdat de deskundige geen verband had gelegd tussen de medische voorgeschiedenis en het ongeval, en appellant dit niet had onderbouwd.
Het hof concludeerde dat appellant niet had voldaan aan zijn bewijslast om aan te tonen dat hij onder gevaarlijke omstandigheden had gewerkt en dat zijn gezondheidsklachten daardoor waren veroorzaakt. De vorderingen werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.