Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak- en rolnummer 900729 resp. 13/6242)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
grief 2+3luidt:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de burgerlijke rechter bevoegd is om een vordering te behandelen die onder de kantongrens ligt, terwijl arbiters reeds bevoegd zijn verklaard voor een samenhangend geschil boven die grens. [bouwbedrijf] voerde werkzaamheden uit voor [Beheer], waarbij [bedrijfsvloeren] als onderaannemer betonvloeren leverde. Er loopt een arbitrale procedure over gebreken en te late oplevering, waarbij [bouwbedrijf] [bedrijfsvloeren] in vrijwaring heeft opgeroepen.
[bedrijfsvloeren] vordert betaling van openstaande facturen onder de kantongrens, maar deze vordering is niet aan arbiters voorgelegd. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd vanwege de arbitrale bevoegdheidsverklaring. Het hof oordeelt dat de vorderingen inhoudelijk en procesueel nauw verweven zijn en dat het begrip 'geschil' in de algemene voorwaarden ruim moet worden uitgelegd. Hierdoor behoren alle samenhangende vorderingen aan arbiters te worden voorgelegd.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, wijst de vordering van [bedrijfsvloeren] af en veroordeelt haar in de proceskosten. De mogelijkheid bestaat dat partijen hun geschil volledig aan arbiters voorleggen, inclusief de vordering onder de kantongrens en het opschortings- en verrekeningsverweer. De burgerlijke rechter is in dit stadium niet bevoegd.
Uitkomst: Het hof verklaart de burgerlijke rechter onbevoegd en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat de vordering van [bedrijfsvloeren] wordt afgewezen.