Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1],wonende te [woonplaats],
[appellante 2],wonende te [woonplaats], Zwitserland,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarbij de gezusters appellanten werden veroordeeld tot betaling van een geldsom aan de geïntimeerde, uitvoerbaar bij voorraad verklaard kon worden. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was vanwege de woonplaats van één van de appellanten en de samenhang tussen de vorderingen.
De gezusters appellanten werden veroordeeld tot betaling van elk € 296.486,81 plus wettelijke rente. De geïntimeerde vorderde in een incident dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, hetgeen door de gezusters werd bestreden. Het hof overwoog dat een veroordeling tot betaling van een geldsom in beginsel geschikt is voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Bij de belangenafweging vond het hof dat het belang van de geïntimeerde zwaarder woog dan dat van de gezusters bij behoud van de bestaande toestand. Argumenten van de gezusters, zoals de lange duur van de procedure, reeds gedane betalingen en mogelijke executieproblemen, werden onvoldoende onderbouwd of konden niet in dit incident worden beoordeeld. Daarom werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en werden de gezusters veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak werd aangehouden tot pleidooi op 7 november 2014.
Uitkomst: Het hof verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor de veroordeling van de gezusters tot betaling van een geldsom en veroordeelt hen in de proceskosten van het incident.