Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 134208/HA ZA 08-1144)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
primairten grondslag gelegd dat zij ten onrechte en in strijd met het protocol in het AZM niet na de operatie een heparine-achtige stof als Fraxiparine (in profylactische dosis) toegediend heeft gekregen en dat zich daardoor een cardiale embolie heeft gevormd waardoor het herseninfarct is ontstaan, althans dat de kans daarop significant is verhoogd en dat haar de kans op een beter behandelingsresultaat is ontnomen;
subsidiair, dat AZM op 10 december 2002 ten onrechte niet heeft onderzocht wat de stollingsfactor van haar bloed (INR-waarde) op dat moment was; en
meer subsidiairdat zonder haar toestemming tijdens de hartoperatie een wetenschappelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, althans dat zij zich door de medicijnen (Oxazepam) die zij toen kreeg de ondertekening niet meer kan herinneren en dat zij haar toestemming niet zou hebben gegeven als ze geweten had dat dit een verhoogd risico op stolsels meebracht (art. 7:450 BW Pro). [appellante] verwijst op dit punt naar het door dr. [thoraxchirurg], thoraxchirurg van het Medisch Spectrum Twente, op 13 december 2006 aan haar uitgebrachte advies.
Met de grieven stelt [appellante] in hoger beroep opnieuw de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire grondslag van haar vordering aan de orde.
preoperatiefFraxiparine toegediend had moeten krijgen is een stelling die [appellante] voor het eerst in hoger beroep betrekt, maar die zij verder in het geheel niet onderbouwt. In zoverre wordt haar stelling door het hof verworpen.
postoperatievetoediening van dit middel overweegt het hof het navolgende.
die m.i. plaatsgevonden heeft” bij [appellante].
alle” medicaties die aan [appellante] tijdens haar ziekenhuisverblijf zijn toegediend, af dat dit middel niet aan haar is toegediend. De van de zijde van het AZM gegeven verklaring dat dit niet is vastgelegd omdat het een standaardprocedure betreft, overtuigt het hof niet. Het AZM heeft niet toegelicht waarom standaardmedicatie niet op deze lijst zou behoeven te worden opgenomen; Sintrom komt op deze lijst wél voor, terwijl dr. [chirurg] verklaart dat de toediening van Fraxiparine en Sintrom beide standaardhandelingen zijn. Dr. [chirurg] verklaart ook niet stelliger dan dat “
m.i.” de toediening bij [appellante] heeft plaatsgevonden, hetgeen overigens niet verwonderlijk is nu het een operatie van meer dan acht jaar daarvoor betrof.
voorshandservan uit dat Fraxiparine had moeten worden toegediend maar niet toegediend is, aangezien het hof behoefte heeft aan een nader deskundigenbericht over de vraag of het niet toedienen van Fraxiparine als een medische fout moet worden beschouwd, naar het causaal verband tussen het niet toedienen van Fraxiparine en het optreden van een herseninfarct negen dagen later – waarover partijen van mening verschillen en waarover het hof, als de vonnissen niet zouden worden bekrachtigd, alsnog zal moeten oordelen - , en over de vraag in hoeverre het door partijen soms gemaakte onderscheid tussen profylactisch en therapeutisch (postoperatief) toedienen van Fraxiparine hier relevant is. Indien uit het deskundigenbericht zou blijken dat het voor het causaal verband wel degelijk relevant is of er daadwerkelijk aan [appellante] Fraxiparine is toegediend, zal het hof het AZM alsnog in de gelegenheid stellen om – indien AZM dat wenst – tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aangenomen feit dat dit middel niet aan [appellante] is toegediend. De precieze vragen die het hof voorstelt om aan de deskundige voor te leggen zullen verderop in dit arrest worden geformuleerd.
dringendom met elkaar te rade te gaan over de benoeming van de persoon van de deskundige/cardioloog en met een eensluidend voorstel daarvoor te komen. Vanzelfsprekend vergroot instemming van beide partijen met de persoon van de deskundige het vertrouwen in de deskundige en daarmee de acceptatie van het rapport van die deskundige. Het hof geeft partijen in overweging een cardioloog te zoeken die geen (vroegere) banden heeft met het AZM, het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven of het AMC te Amsterdam.
achterafniet meer kan herinneren dat zij dit formulier heeft getekend is overigens iets anders dan dat zij
op het moment zelfonvoldoende beoordelingsvermogen had. [appellante] heeft bovendien niet gesteld, noch onderbouwd, dat AZM niet redelijkerwijs haar verklaring mocht opvatten als het geven van toestemming voor deelname aan het wetenschappelijk onderzoek. Op het ontbreken van een met haar verklaring overeenstemmende wil kan [appellante] dus tegenover AZM geen beroep doen (art. 3:35 BW Pro). Grief 3 wordt in zoverre verworpen.
Partijen dienen de deskundige te voorzien van een compleet operatieverslag.AZM dient bij de eerstvolgende gelegenheid een volledig operatieverslag in het geding te brengen.