Uitspraak
s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 28 oktober 2014;
- het faxbericht met bijlage van de stichting d.d. 3 november 2014.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar zoon, die sinds januari 2013 in een pleeggezin verblijft. De moeder betwistte dat terugplaatsing niet in het belang van het kind zou zijn en stelde dat zij voldoende opvoedvaardigheden bezit.
De stichting en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat de moeder onvoldoende stabiel is en niet de veilige, duidelijke en stimulerende omgeving kan bieden die het kind nodig heeft, mede gezien zijn kindeigen problematiek en eerdere mislukte opnamepogingen. Het rapport van de raad en het eindverslag van de Bocht bevestigden de zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder.
Het hof overwoog dat het belang van het kind voorop staat en dat een nieuwe breuk met de pleegouders de ontwikkeling van het kind ernstig zou schaden. Het oordeel van de rechtbank werd bekrachtigd, waarbij het hof het advies van de raad als onafhankelijk en deugdelijk beschouwde. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De pleegouders bevestigden de positieve ontwikkeling van het kind in het pleeggezin, ondanks wisselend gedrag na contact met de moeder. Het hof concludeerde dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd in het belang van zijn verzorging en opvoeding.