Partijen zijn in 2004 gehuwd en hebben een zoon die het hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Na echtscheiding in 2012 heeft de rechtbank in januari 2013 het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderbijdrage afgewezen. De vrouw heeft daarop opnieuw een verzoek ingediend, waarop de rechtbank in februari 2014 een bijdrage van €180,29 per maand aan de man oplegde.
De man is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen en betwist onder meer de draagkrachtberekening en ontvankelijkheid van de vrouw. Het hof oordeelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de man inmiddels loon uit dienstbetrekking geniet in plaats van alleen een WW-uitkering. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Het hof stelt de behoefte van de zoon vast op €282,20 per maand, verminderd met het kindgebonden budget van €79,-, zodat het eigen aandeel van de ouders €203,20 bedraagt. Op basis van de zorgregeling wordt een zorgkorting van 25% toegepast, waardoor de bijdrage €152,40 per maand bedraagt.
De vrouw heeft een gering inkomen en geen draagkracht. De man heeft volgens het hof een netto besteedbaar inkomen van ruim €2.000,- per maand en kan daarom bijdragen. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en legt de man een maandelijkse bijdrage van €152,40 op met ingang van 6 februari 2014. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen.