Op 22 maart 2007 raakte geïntimeerde betrokken bij een verkeersongeval als inzittende van een auto, waarbij de aansprakelijkheid door de verzekeraar Interpolis werd erkend. Geïntimeerde schakelde appellant in als advocaat, die een tarief van €225 per uur hanteerde. In 2012 stapte geïntimeerde over naar een andere advocaat, waarna appellant zijn werkzaamheden neerlegde en betaling van buitengerechtelijke kosten vorderde.
Appellant vorderde betaling van diverse bedragen wegens schade en kosten, gebaseerd op nakoming van de overeenkomst en onrechtmatig handelen. Geïntimeerde betwistte de hoogte van de declaraties en verwees naar de begrotingsprocedure van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz). De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd om over het salaris te oordelen en verwees naar de raad van toezicht.
In hoger beroep betoogde appellant dat de kantonrechter ten onrechte onbevoegd was en vroeg het hof de zaak toe te wijzen of aan zich te houden. Geïntimeerde stelde incidenteel appel in met verzoek tot vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen, dan wel bekrachtiging met een termijn voor het indienen van een begrotingsverzoek.
Het hof overwoog dat per 1 januari 2015 de Wet positie en toezicht advocatuur in werking treedt, waarbij de Wtbz wordt ingetrokken en de raad van toezicht niet langer bevoegd is tot begroting. De raad van toezicht neemt sinds 1 oktober 2014 geen nieuwe verzoeken meer in behandeling. Het hof stelde partijen in de gelegenheid hun stellingen aan te passen en hield verdere beslissing aan, met verwijzing naar een rolzitting op 13 januari 2015.