Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (parketnummer 01/839189-13)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
€ 0,00
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de benadeelde partij tegen de gedeeltelijke toewijzing van immateriële schadevergoeding door de rechtbank na bewezen zware mishandeling op 9 februari 2013.
De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, maar wel veroordeeld voor zware mishandeling en een immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend. De benadeelde partij vorderde in hoger beroep een hogere vergoeding van uiteindelijk €4.705.
Het hof oordeelt dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn hoger beroep en dat de vermeerdering van de eis toelaatbaar is. De aansprakelijkheid van de verdachte wordt bevestigd op grond van artikel 6:162 BW Pro, waarbij ook het relativiteitsvereiste is vervuld.
De omvang van de schade wordt beoordeeld aan de hand van medische rapporten en de aard van het letsel, waaronder een ontsierend litteken, posttraumatische stressstoornis en depressieve klachten. Het hof wijst een immateriële schadevergoeding toe van €3.500, rekening houdend met vergelijkbare jurisprudentie, en verwerpt het beroep op eigen schuld en matiging.
De verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is uitgesproken op 25 februari 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hof verhoogt de immateriële schadevergoeding tot €3.500 en veroordeelt de geïntimeerde tot betaling hiervan met rente.