Uitspraak
8 februari 1985.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde verzoeker schadevergoeding wegens letsel dat hij opliep door onrechtmatig handelen van verweerder, een politie-inspecteur, die hem met een wapenstok sloeg zonder rechtvaardiging. De rechtbank en het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen wezen de vordering af, omdat zij oordeelden dat het uitblijven van genezing niet meer aan verweerder kon worden toegerekend, vanwege de persoonlijke predispositie van verzoeker die een neurotische reactie zou vertonen.
De Hoge Raad stelt dat bij onrechtmatige daad met letsel de gevolgen van een door persoonlijke predispositie bepaalde reactie in beginsel wel aan de dader moeten worden toegerekend, ook als die reactie ernstiger en langduriger is dan normaal. Alleen bij bijzondere omstandigheden, zoals nalatigheid van het slachtoffer in herstel, kan hiervan worden afgeweken. Het Hof had deze bijzondere omstandigheden niet vastgesteld.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het Hof voor verdere behandeling en beslissing. Tevens worden de kosten van het cassatieproces aan verweerders opgelegd, terwijl verzoeker kosteloos in cassatie mocht procederen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug wegens onjuiste rechtsopvatting over toerekening bij letselschade door persoonlijke predispositie.