Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht, heeft haar feitelijke leiding in 2003 naar België verplaatst. Voor het jaar 2007 heeft zij te laat aangifte vennootschapsbelasting gedaan, waarop de Inspecteur een verzuimboete van €226 oplegde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel.
Het hof overweegt dat de Inspecteur op grond van artikel 6 lid 1 AWR Pro gerechtigd was belanghebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte, omdat begin 2008 het vermoeden bestond dat belanghebbende belastingplichtig was in Nederland. Tevens oordeelt het hof dat belanghebbende niet nadeliger wordt behandeld dan een buitenlands lichaam met feitelijke leiding in België.
Verder stelt belanghebbende dat artikel 2 lid 4 Wet Pro Vpb een verboden vertrekbelemmering vormt, maar het hof verwijst naar het arrest Van Hilten-van der Heijden en concludeert dat zolang na vertrek nationale behandeling plaatsvindt, geen sprake is van een verboden vertrekbelemmering.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verzuimboete van €226 bevestigd.