ECLI:NL:GHSHE:2014:6246

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 september 2014
Publicatiedatum
9 januari 2019
Zaaknummer
20-002259-10
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontzegging wederrechtelijk verkregen voordeel wegens afpersing en verduistering

In deze strafzaak stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit afpersing en verduistering. De rechtbank Roermond had het voordeel vastgesteld op €6.327,00 en veroordeelde de verdachte tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het hof heeft het dossier, de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging bestudeerd. De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid aan en subsidiair dat reeds toegekende bedragen aan benadeelden in mindering moesten worden gebracht. Het hof kon zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en vernietigde het vonnis.

Na herbeoordeling stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op netto €1.325,00, verdeeld over twee feiten: €375,00 uit afpersing en €950,00 uit verduistering. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zoals die ten tijde van de feiten luidde.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 september 2014, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de betalingsverplichting werd aangepast aan het lagere vastgestelde bedrag.

Uitkomst: Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.325,00 en legde de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-002259-10
Uitspraak : 10 september 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 juni 2010 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-610057-07 tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 6.327,00 en is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd om dat bedrag te betalen aan de Staat.
De veroordeelde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beroepen uitspraak zal bevestigen.
Door de verdediging is:
  • primair betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat de veroordeelde in de strafzaak dient te worden vrijgesproken;
  • subsidiair betoogd dat bij toewijzing van de vordering, de aan de benadeelde partij(en) toegekende geldbedragen daarop in mindering dienen te worden gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekte tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 11.227,00.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie dit bedrag verlaagd tot
€ 5.375,00. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het door de rechtbank opgelegde bedrag groot
€ 6.327,00.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 10 september 2014 (parketnummer 20-002258-10) voor zover hier van belang veroordeeld tot straf ter zake van:
Parketnummer 04/610057:
2. afpersing door twee of meer verenigde personen.
4. verduistering.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel in totaal moet worden geschat op netto € 1.325,00. Het wederrechtelijk voordeel uit feit 2 wordt geschat op € 375,00 en het wederrechtelijk voordeel uit feit 4 op € 950,00.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
1.325,00 (duizend driehonderdvijfentwintig euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 1.325,00 (duizend driehonderdvijfentwintig euro).
Aldus gewezen door
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. H. Eijsenga en mr. P.M. Frielink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,
en op 10 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.