In deze strafzaak stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit afpersing en verduistering. De rechtbank Roermond had het voordeel vastgesteld op €6.327,00 en veroordeelde de verdachte tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof heeft het dossier, de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging bestudeerd. De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid aan en subsidiair dat reeds toegekende bedragen aan benadeelden in mindering moesten worden gebracht. Het hof kon zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en vernietigde het vonnis.
Na herbeoordeling stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op netto €1.325,00, verdeeld over twee feiten: €375,00 uit afpersing en €950,00 uit verduistering. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zoals die ten tijde van de feiten luidde.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 september 2014, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de betalingsverplichting werd aangepast aan het lagere vastgestelde bedrag.