Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2014:697

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 maart 2014
Publicatiedatum
12 maart 2014
Zaaknummer
20-001545-12
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak amfetamine en veroordeling voor opzettelijk vervoeren hennep

In hoger beroep werd verdachte geconfronteerd met tenlasteleggingen van het opzettelijk vervoeren van amfetamine en hennep. De rechtbank had hem veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk.

Het hof sprak verdachte vrij van het vervoeren van amfetamine omdat hij ongewild en onverwacht met deze middelen werd geconfronteerd en zich er direct van ontdaan heeft. Voor het vervoeren van circa 499 gram hennep achtte het hof bewezen dat verdachte dit opzettelijk samen met een ander heeft gedaan, waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde meer hennep te vervoeren dan de beoogde 150 gram.

Gezien de aard van het delict, het grensoverschrijdende karakter en gevaarlijke rijgedrag, legde het hof een geldboete van €1.000,- op. De tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht, werd in mindering gebracht op de geldboete. Een gevangenisstraf achtte het hof niet passend.

De beslissing is gebaseerd op artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikelen 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Vrijspraak voor amfetamine, veroordeling voor vervoeren hennep met geldboete van €1.000,-

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001545-12
Uitspraak : 10 maart 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 13 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 04-850244-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - het tezamen met een ander opzettelijk vervoeren van amfetamine (feit 1) en het tezamen met een ander opzettelijk vervoeren van hennep (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1. ten laste gelegde bepleit. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het voor wat betreft feit 1 niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 juni 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3036 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 27 juni 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 499 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
De verdachte heeft bekend dat hij een afspraak had gemaakt met een drugshandelaar in Limburg, teneinde 150 gram hennep van hem te kopen. Deze transactie heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens de drugshandelaar op diens verzoek een lift heeft gegeven. Op enig moment heeft de politie de achtervolging ingezet. Tijdens die achtervolging is de drugshandelaar, volgens de verklaringen van verdachte en de medeverdachte, via het autoraam aan de bijrijderskant uit de auto gevlucht. Volgens verdachte heeft hij daarbij een tas met drie pakketjes amfetamine op de schoot van verdachte - de bijrijder - achtergelaten. De verdachte heeft de pakketjes toen volgens eigen verklaring direct uit het autoraam van de rijdende auto gegooid.
Het hof acht niet onaannemelijk dat de verdachte zich ongewild en onverwacht geconfronteerd zag met andere, niet door hem gewenste verdovende middelen. Uit verdachtes verklaring kan worden afgeleid dat hij zich daar direct en zonder enig voorbehoud van heeft ontdaan. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden aan de verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de amfetamine en spreekt hem van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 27 juni 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 499 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof is van oordeel dat - gelet op verdachtes beoogde en geslaagde transactie met betrekking tot de hennep - de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij meer dan de gewenste 150 gram van hetzelfde soort verdovende middelen zou vervoeren als hij de drugshandelaar in zijn auto zou meenemen. In dit verband heeft het hof mede in aanmerking genomen dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij, als koper van 150 gram hennep, verbaasd was over de vele zakken waarmee deze drugshandelaar kwam aanlopen. Het hof acht dus ook het opzettelijk vervoeren van hennep bewezen voor zover dit meer dan 150 gram was.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft opzettelijk bijna 500 gram hennep vervoerd, zijnde een handelshoeveelheid. De verdachte kwam vanuit Duitsland om deze hennep te halen. Het gaat om een overlast gevend delict. Van de softdrugs zelf is bovendien bekend dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de gebruikers.
Voor de strafoplegging zoekt het hof aansluiting bij de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Het hof is van oordeel dat een geldboete van € 1.000,00 passend en geboden is. Het hof kent in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd, dat de zaak een zeker grensoverschrijdende karakter heeft en dat het vervoer gepaard is gegaan met gevaarlijke manoeuvres op de weg.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Nu het hof kiest voor de minst zware strafsoort, terwijl de verdachte enige tijd in voorarrest heeft gezeten, acht het hof het passend om op de voet van artikel 27, derde lid, Wetboek van Strafrecht te bevelen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten bij de uitvoering van de op te leggen geldboete geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van vijftig euro per dag.
Het hof heeft het vervoer van verdovende middelen van lijst I, het zwaarste delict op de tenlastelegging, niet bewezen geacht, zodat een gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd niet passend is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,
en op 10 maart 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. W.E.C.A. Valkenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.