Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende exploiteert een landbouwbedrijf en heeft in 2007 landbouwgrond verkocht als gevolg van overheidsingrijpen, waarbij een herinvesteringsreserve (HIR) is gevormd. In 2010 kocht hij een horecaonderneming, een strandpaviljoen, van zijn zoon en deed daarop diverse investeringen. Het geschil betreft de vraag of de HIR kan worden aangewend voor deze investeringen in de horecaonderneming.
Het hof stelt vast dat belanghebbende twee afzonderlijke ondernemingen drijft: het landbouwbedrijf en de horecaonderneming. De investeringen in het strandpaviljoen behoren tot het ondernemingsvermogen van de horecaonderneming en niet tot dat van het landbouwbedrijf. De financiering van deze investeringen met gelden uit de verkoop van landbouwgrond verandert hier niets aan.
Het hof oordeelt dat artikel 3.54 Wet IB 2001, dat de HIR regelt, toepassing vindt per onderneming en niet per ondernemer. Herinvestering over de ondernemingsgrens heen is niet toegestaan, ook niet in geval van overheidsingrijpen. Het beroep op een besluit van de staatssecretaris van Financiën faalt omdat dit besluit niet terugwerkende kracht heeft en niet van toepassing is op de situatie van belanghebbende.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.