Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin veroordeelde werd verplicht tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betrof medeplegen van witwassen en het trekken uit opbrengsten van misdrijf.
Tijdens het hoger beroep trok de officier van justitie zijn beroep in, waarna het hof het dossier en de vorderingen van partijen onderzocht. Hoewel vaststond dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de baten van de bewezen verklaarde feiten, ontbraken voldoende aanknopingspunten om de omvang van dat voordeel te bepalen.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en wees de ontnemingsvordering af. Hiermee werd de verplichting tot betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat opgeheven. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 24 april 2015.