Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2015:1557

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 april 2015
Publicatiedatum
28 april 2015
Zaaknummer
HR 200.166.882-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 sub a FwArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 3.1.2.6 sub g Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstane schulden en psychosociale problematiek

In deze civiele zaak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg bekrachtigd waarin het verzoek van appellant tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Appellant had een totale schuldenlast van € 96.646,72, waaronder een grote belastingschuld en een schuld aan het CJIB. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.

Appellant erkende zijn langdurige psychosociale problematiek, waaronder depressief gedrag, ADHD en manisch-depressieve klachten, maar stelde dat hij ondanks deze problemen in staat was zijn schulden te voldoen en maatschappelijk te functioneren. Hij kreeg ondersteuning van een beschermingsbewindvoerder en een maatschappelijk ondersteuner en was bereid te solliciteren en werken.

Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van zijn belastingschuld en de schuld aan het CJIB, omdat hij de ontstaansgeschiedenis daarvan niet had onderbouwd met verificatoire bescheiden. Daarnaast was niet gebleken dat zijn psychosociale problematiek beheersbaar was, mede omdat geen verklaring van een deskundige hulpverlener was overgelegd. De verklaring van de beschermingsbewindvoerder volstond niet.

Het hof benadrukte dat psychosociale problemen op zichzelf geen belemmering hoeven te zijn voor toelating tot de regeling, mits deze beheersbaar zijn en door een deskundige worden bevestigd. Het verzoek werd daarom afgewezen, maar appellant kan opnieuw verzoeken indien hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane schulden en niet-beheersbare psychosociale problematiek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 23 april 2015
Zaaknummer : HR 200.166.882/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/194525 / FT RK 14/920
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. R. Jacobs.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 maart 2015.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 maart 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht..
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [appellant], bijgestaan door mr. Jacobs;
- mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de
beschermingsbewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 februari 2015;
  • het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 2 april 2015;
  • de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 10 april 2015.

3.De beoordeling

3.1.
Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld. Uit hetgeen door de beschermingsbewindvoerder ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht blijkt dat deze bekend is met het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld, zodat het hof daarmee rekening zal houden bij zijn beslissing.
3.2.
[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 96.646,72. Daaronder bevindt zich een schuld aan Obvion van
€ 76.502,14. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.4.
De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:
“Uit de overgelegde rapportages blijkt dat verzoeker sinds een aantal jaren behandeld is geweest in verband met psychische problemen. Hij stelt thans nog steeds in depressief gedrag te vervallen, manisch depressief te zijn en tevens hyperactief gedrag te vertonen (ADHD) en daartoe in behandeling te zijn bij een psychiater. Een actuele medische rapportage van zijn huidige behandelaar is door deze rechtbank op 4 maart 2015 ontvangen. Uit deze rapportage blijkt dat de behandeling “voorlopig jarenlang” door zal blijven lopen. De rapportage vermeldt niet dat de psychische problemen beheersbaar of voldoende onder controle zijn.”
3.5.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] erkent dat hij nog jarenlang psychische begeleiding en ondersteuning nodig heeft, maar dit betekent volgens hem niet dat hij niet in staat is om gedurende de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen te voldoen. [appellant] is voorts van mening dat hij voldoet aan het criterium zoals dat is verwoord in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw. Hij verkrijgt therapieën bij een psychiater welke een positief resultaat hebben, hij verkrijgt maatschappelijke steun van mevrouw [maatschappelijke ondersteuner] en hij wordt financieel ondersteund door Libra Bewindvoeringen. Daarnaast maakt hij al vijfeneenhalf jaar gebruik van budgetbeheer en dit budgetbeheer is per 1 april 2015 omgezet in een beschermingsbewind. [appellant] is dan ook van mening dat zijn problematiek al enige tijd beheersbaar is en dat hij zich maatschappelijk staande weet te houden.
3.6.
Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Dat zijn psychosociale problematiek duurzaam beheersbaar is mag dan wel niet expliciet op papier staan, dit wil volgens [appellant] niet direct zeggen dat het dan ook niet zo is. [appellant] geeft aan dat het goed met hem gaat, de medicatie die hij gebruikt voor zijn ADHD is effectief, hij leeft zo goedkoop mogelijk en heeft bovendien een adequaat sociaal vangnet om zich heen weten te creëren. Met betrekking tot zijn belastingschuld en zijn schuld aan het CJIB merkt [appellant] op dat deze vanwege de tekortschietende wijze waarop zijn voormalige budgetbeheerder zijn zaken behartigde buiten zijn schuld in omvang zijn toegenomen. Tot slot merkt [appellant] op dat hij, ondanks zijn mentale en fysieke beperkingen, in het kader van een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling bereid is om naar vermogen te gaan solliciteren en werken.
3.7.
Desgevraagd heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. Zij kent [appellant] al enige tijd, voorafgaand aan het beschermingsbewind is zij immers al enige tijd zijn budgetbeheerder geweest. De beschermingsbewindvoerder stelt dat [appellant] het financieel goed doet, zijn afspraken altijd keurig nakomt en voorts ook immer zijn informatiebescheiden en andere stukken netjes aanlevert.
3.8.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.8.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.
Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.8.2.
Schulden nummer 1 en 4 op de verklaring ex artikel 285 Fw Pro zien op een belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] verzuimt de aard en ontstaansgeschiedenis van deze belastingschulden ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende
aannemelijk dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Voorts ziet schuld nummer 3 op de verklaring ex artikel 285 Fw Pro op een clusterschuld aan het CJIB, een schuld welke in beginsel eveneens dient te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Nu [appellant] verzuimt om ook de aard en ontstaansgeschiedenis van deze schuld middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen acht het hof het ook ten aanzien van deze schuld onvoldoende aannemelijk dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan hiervan te goeder trouw is geweest. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden daarbij reeds voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.
3.8.3.
Voorts staat vast, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft gesteld, dat [appellant] kampt met psychosociale problematiek. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellant] niet overgelegd waarbij het hof het volgende opmerkt.
De beschermingsbewindvoerder heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep de mededeling is gedaan, dat [appellant] zijn financiële zaken thans op orde heeft, zijn afspraken goed nakomt, zijn stukken netjes aanlevert en een adequaat sociaal vangnet om zich heen heeft weten te creëren.
Het hof acht deze verklaring in dit kader ontoereikend. De beschermingsbewindvoerder kan met betrekking tot psychosociale problematiek in zijn algemeenheid immers niet worden aangemerkt als een deskundige hulpverlener. Het hof is op grond hiervan dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.8.4.
Het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient (voor het moment) dan ook te worden afgewezen. Niets staat er echter aan in de weg dat [appellant], indien en zodra hij wel over een actuele en ter zake doende rapportage beschikt ten aanzien van zijn psychosociale problematiek en daarnaast de aard en ontstaansgeschiedenis van zijn belastingschuld en schuld aan het CJIB middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins voldoende inzichtelijk weet te maken, opnieuw verzoekt te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
3.8.5.
Zoals ook ter zitting in hoger beroep is gedaan, hecht het hof er, ook in meer algemene zin, overigens aan te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat deze psychosociale problematiek beheersbaar is blijkens een (relevante) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog.
3.9.
Het vonnis waarvan beroep zal dan ook - onder aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.