Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/266684/HA ZA 13-569)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het herstelexploot;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens houdende memorie van eis in incidenteel appel;
- het pleidooi gehouden op 15 april 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Bij aanvang van het pleidooi heeft het hof aan de orde gesteld dat volgens de rolkaart op 20 januari 2015 door het hof ambtshalve akte niet-dienen is verleend ten aanzien van de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep en dat bij het door de gemeente ten behoeve van het pleidooi overgelegde dossier zich een exemplaar van een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep bevindt. Gebleken is dat zowel de gemeente als [geïntimeerde] ervan is uitgegaan dat deze memorie tijdig en op de juiste wijze is gediend. Met instemming van [geïntimeerde] is de inhoud van de door de gemeente overgelegde memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep als tijdens het pleidooi voorgedragen geacht.
- de op voorhand door [geïntimeerde] en de gemeente toegezonden producties, die bij het pleidooi in het geding zijn gebracht.
3.De beoordeling
“Het beroep is ingesteld door [geïntimeerde] en [broer geïntimeerde]. De zaak staat op naam van [broer geïntimeerde]. [geïntimeerde] is gemachtigd om [de] zaak voor zijn broer waar te nemen. [broer geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] gemachtigd (….)”(zie het proces-verbaal van de zitting overgelegd als productie 17 bij de conclusie van antwoord).