Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 111952/HA ZA 11-585)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven van 21 januari 2014 met één grief en drie producties;
- de memorie van antwoord van 1 april 2014.
3.De beoordeling
daadwerkelijkin staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, Saelman/ziekenhuis). In een geval van seksueel misbruik heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als het niet geldend kunnen maken van de vordering voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de debiteur zich erop zou kunnen beroepen dat de verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 BW Pro omschreven tijdstip. De verjaring neemt in een zodanig geval pas een aanvang als die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748). In die zaak overwoog de Hoge Raad dat de daar vastgestelde feiten geen andere conclusie toelieten dan dat het slachtoffer door de dader zodanig geestelijk letsel was toegebracht dat zij als gevolg van haar daardoor ontstane psychische toestand niet in staat is geweest haar vorderingsrecht uit te oefenen. De Hoge Raad beschouwde in die zaak de datum van aangifte als het moment waarop het slachtoffer een zodanige fase van het verwerkingsproces had bereikt dat zij tot het nemen van rechtsmaatregelen werkelijk in staat was.
hof) door [geïntimeerde] wekelijks is geslagen of getrapt, dat het altijd pijn deed als hij haar een klap gaf, dat [geïntimeerde] haar op 11 januari 2003 een paar klappen tegen het hoofd gaf en ineens haar moeder bij de keel greep waarbij zij zag dat haar moeder lijkbleek werd, en dat zij maandelijks zag dat [geïntimeerde] haar moeder in het gezicht sloeg of in de maag stompte.