Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van circa €174.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit vanwege een strafrechtelijke veroordeling voor het exploiteren van een wietplantage, waarvoor hij een taakstraf en ontnemingsmaatregel kreeg opgelegd, en meerdere schulden aan het CJIB.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij spijt had van de wietplantage en geen opbrengst had genoten, en dat de ontdekking van de plantage buiten de vijfjaarsperiode viel. Ook stelde hij dat de schulden aan het CJIB voortkwamen uit financiële problemen en dat hij met het CJIB in gesprek was over terugbetaling. De rechtbank stelde echter vast dat de ontnemingsmaatregel voortvloeit uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling binnen vijf jaar, wat volgens de Faillissementswet een weigering tot toelating rechtvaardigt.
Het hof bevestigde dat de schulden voortvloeien uit een strafrechtelijke veroordeling en dat de schulden aan het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan. Ook ontbrak een voldoende onderbouwing van andere schulden. Gezien deze omstandigheden en het doel van de schuldsaneringsregeling, oordeelde het hof dat het verzoek terecht is afgewezen en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.