ECLI:NL:GHSHE:2015:2261

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2015
Publicatiedatum
23 juni 2015
Zaaknummer
HR 200.169.161-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling binnen tienjaarstermijn

Appellanten hebben verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, nadat zij eerder al een dergelijke regeling hadden doorlopen en een schone lei hadden gekregen. De rechtbank wees hun verzoek af omdat zij binnen de verplichte tienjaarstermijn opnieuw een verzoek indienden, zonder dat een van de uitzonderingen van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro van toepassing was.

In hoger beroep betoogden appellanten dat zij geen invloed hadden op de datum waarop de slotuitdelingslijst verbindend werd, en dat dit reden zou moeten zijn om van de tienjaarstermijn af te wijken. Het hof oordeelde dat deze dwingendrechtelijke bepaling niet opzij kan worden gezet enkel op die grond en dat de uitzonderingen in de wet niet van toepassing zijn.

Het hof benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een imperatieve afwijzingsgrond om de toenemende werklast te beheersen en dat de Hoge Raad geen ruimte laat voor andere uitzonderingen dan die in de wet genoemd. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek van appellanten afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het binnen de tienjaarstermijn van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet is ingediend zonder geldige uitzondering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 18 juni 2015
Zaaknummer : HR 200.169.161/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/01/289019/FT RK 15-75 en C/01/289020/FT RK 15-76
in de zaak in hoger beroep van:

1.[appellant 1],

2. [appellante 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2],
advocaat: mr. H.T.J. Janssen te 's-Hertogenbosch.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2015.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2015, hebben [appellant 1] en [appellante 2] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat appellanten zullen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [appellant 1] en [appellante 2], bijgestaan door mr. Janssen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 april 2015, zoals (ook) in het geding gebracht als bijlage bij de brief van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 12 mei 2015.

3.De beoordeling

3.1.
[appellant 1] en [appellante 2] hebben ieder voor zich de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant 1] en [appellante 2] niet kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, omdat zij binnen de gehanteerde termijn van tien jaar wederom een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hebben gedaan, terwijl een uitzondering als bedoeld in artikel 288 lid Pro sub d Fw zich niet voordoet..
3.3.
[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan elk voor zich in hoger beroep gekomen.
Voor wat betreft de stellingen van [appellant 1] en [appellante 2] verwijst het hof naar de inhoud van het door hen ingediende beroepschrift en naar hetgeen door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting naar voren is gebracht.
De ontvankelijkheid
3.4
Het hof stelt voorop dat artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro een imperatieve afwijzingsgrond betreft die geen afweging behoeft, hetgeen onder andere betekent dat de eisen die aan de motivering worden gesteld minder streng zijn (Kamerstukken II 2004/200, 29 942, nr. 3, pagina 4-8).
3.4.1.
Met ingang van 1 januari 2008 is in werking getreden de Wet van 24 mei 2007 houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb 192. Bij die wijziging heeft de wetgever bewust - ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, onder a, Fw - gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw, zulks met drie in deze bepaling genoemde uitzonderingen, die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Er moet worden aangenomen dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de imperatieve afwijzingsgrond ook zou gelden voor gevallen als het onderhavige waarin de schuldenaar die binnen de tienjaarstermijn opnieuw verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling, -zoals gesteld- te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de nieuwe schulden. Om die reden ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen ruimte is voor het maken van andere dan door de wetgever gemaakte uitzonderingen, mede nu daardoor afbreuk zou worden gedaan aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing - door het stellen van strenge toelatingscondities - van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder (vgl. HR 12 juni 2009, LJN BH7357, bevestigd in HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0964, alsook de MvT, Kamerstukken 29 942, nr. 3, blz. 4 en 5).
3.4.2.
Het hof stelt vast dat eerder, te weten bij vonnis van 27 maart 2000, de schuldsaneringsregeling op [appellant 1] en [appellante 2] van toepassing is verklaard, dat bij vonnis van 10 juni 2003 aan hen de zogenaamde schone lei is toegekend en dat door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst de schuldsaneringsregeling is geëindigd op 16 juni 2005. De tienjaarstermijn van artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw loopt dus tot 16 juni 2015..De thans aan de orde zijnde verzoeken om toelating zijn gedaan op 22 januari 2015, derhalve ongeveer een half jaar vóór het einde van bedoelde termijn.
Weliswaar hebben [appellant 1] en [appellante 2] geen invloed kunnen uitoefenen op de datum waarop de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, zoals door hen is gesteld, doch zulks betekent nog niet dat een dwingendrechtelijke bepaling als bedoeld in 288 lid 2 sub d Fw enkel op die grond opzij kan worden gezet.
Niet gesteld of anderszins gebleken is dat een van de uitzonderingen van artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw zich voordoet.
De aangevoerde bijzondere omstandigheden van deze zaak, te weten dat de eerder van toepassing geweest zijnde schuldsaneringsregeling met verlening van een schone lei is geëindigd, dat de periode tussen de verlening van de schone lei en het verbindend worden van de slotuitdelingslijst ongeveer twee jaar heeft geduurd en dat de onderhavige verzoeken tot toelating relatief betrekkelijk kort voor ommekomst van de tienjaarstermijn zijn ingediend, acht het hof niet zodanig uitzonderlijk dat om die reden (toch) zou kunnen worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 288 lid Pro 2, onder d, Fw. Naar het oordeel van het hof bieden de overwegingen van de Hoge Raad in de hiervoor vermelde arresten daarvoor onvoldoende ruimte.
3.4.3.
Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof ook overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant 1] en [appellante 2] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.
3.5.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.