Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 17 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:921);
- de akte van [appellant];
- de antwoordakte van [geïntimeerde].
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak vordert appellant de verwijdering van een coniferenhaag die binnen twee meter van zijn erfgrens staat, op grond van artikel 5:42 BW Pro en artikel 5:37 BW Pro. De kantonrechter wees de vordering af omdat de coniferen deel uitmaken van een aaneengesloten heg en niet als afzonderlijke bomen kunnen worden aangemerkt.
Het hof stelt dat coniferen in een haagvorm weliswaar bomen blijven, maar dat verwijdering van de haag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zolang de haag een toelaatbare hoogte heeft. Het hof bepaalt dat een heg tot twee meter hoogte is toegestaan en legt een maximale hoogte van 2,25 meter op 50 cm van de erfgrens, aflopend tot 2 meter bij de erfgrens.
Verder wijst het hof de vordering tot algehele verwijdering af, evenals de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Wel veroordeelt het hof geïntimeerde tot het snoeien van de haag binnen zes weken en tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving. De kosten van het hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot snoeien van de coniferenhaag tot maximaal 2,25 meter binnen twee meter van de erfgrens, met een dwangsom bij niet-naleving.