In deze zaak is het faillissement uitgesproken van B.V. Tape Control D & N, waarbij de curator [geïntimeerde] aansprakelijk stelt voor het tekort in het faillissement. De curator legde conservatoir beslag op negen onroerende zaken van geïntimeerde en bij banken, en startte een bodemprocedure tegen geïntimeerde. De rechtbank wees de vorderingen van de curator in die bodemprocedure af, waarna geïntimeerde in kort geding opheffing van het beslag vorderde. De voorzieningenrechter wees deze vordering toe en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
De curator stelde hoger beroep in tegen het kort gedingvonnis en voerde aan dat de voorzieningenrechter een onjuiste maatstaf hanteerde en de belangen verkeerd afwoog. Het hof oordeelt dat hoewel de curator terecht kritiek heeft op de toegepaste maatstaf, het belang van geïntimeerde bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan dat van de curator. Geïntimeerde werd langdurig en buitenproportioneel getroffen door het beslag, met negatieve gevolgen voor zijn onderneming en financieringsmogelijkheden.
Het hof stelt vast dat geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat het voortduren van het beslag niet gerechtvaardigd is, mede omdat de curator onvoldoende belang heeft bij handhaving van het beslag gezien de leegheid van de boedel en het ontbreken van verhaal. Het hoger beroep van de curator wordt daarom verworpen, het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en de curator wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.