Belanghebbende, exploitant van een autohandel, maakte gebruik van de handelaarsregeling voor motorrijtuigenbelasting. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag en boete op wegens het gebruik van een motorrijtuig zonder handelaarskentekenplaat op de openbare weg. De Rechtbank vernietigde deels deze aanslag en boete, maar het Gerechtshof herzag dit oordeel.
Het Hof stelde vast dat het motorrijtuig op 20 juni 2011 zonder geldige handelaarskentekenplaat op de openbare weg werd aangetroffen. De stelling van belanghebbende dat de kentekenplaat was gestolen of verloren, werd niet aannemelijk geacht wegens gebrek aan bewijs, waaronder een ongedateerde internetaangifte zonder ontvangstbevestiging.
Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd over een periode van twaalf maanden, waarbij de dag van constatering als laatste dag geldt, conform de Hoge Raad. De boete werd passend en geboden geacht, aangezien belanghebbende geen feiten of omstandigheden aannemelijk had gemaakt die vermindering rechtvaardigen.
Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard, het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond, en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Het beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur werd ongegrond verklaard. Het griffierecht geheven van de Inspecteur werd niet in stand gehouden en proceskosten werden niet toegewezen.