ECLI:NL:GHSHE:2015:253

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 januari 2015
Publicatiedatum
29 januari 2015
Zaaknummer
F 200.160.678_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.1 JwArt. 6.1.2 JwArt. 10.5 JwArt. 29b Wet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling termijnverkorting machtiging gesloten jeugdzorg voor minderjarige

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van een minderjarige tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die hem voor de duur van één jaar onder toezicht stelde en machtigde tot gesloten jeugdzorgplaatsing.

De minderjarige was sinds 20 oktober 2014 geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Hij verzocht om beperking van de machtiging tot zes maanden, terwijl de stichting Bureau Jeugdzorg de beschikking wilde laten bekrachtigen.

Het hof overwoog dat aan de wettelijke gronden voor gesloten jeugdzorg was voldaan. Gezien de problematiek en positieve ontwikkelingen werd de machtiging verlengd tot 1 juni 2015, waarna de minderjarige naar verwachting weer thuis kan wonen. De eerdere beschikking werd voor het overige bekrachtigd, het verzoek tot verdere beperking afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van continuïteit in zorg bij ernstige opvoedingsproblemen en stemt de duur van de machtiging af op de behandelvoortgang.

Uitkomst: De machtiging tot gesloten jeugdzorg is beperkt tot 1 juni 2015, waarna het verzoek tot verdere beperking is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF'
s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 29 januari 2015
Zaaknummer : F 200.160.678/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/03/196090 / JE RK 14-2095 en C/03/196165 / JE RK 14-2111
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige],
tot 22 december 2014 opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Ottho Gerhard Heldring te [vestigingsplaats] (hierna: de OGH), thans verblijvende bij IrisZorg te [verblijfplaats],
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven,
verweerder,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);
- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Noord-Limburg (hierna te noemen: de stichting).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 september 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 december 2014, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de duur van de machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt beperkt tot zes maanden, derhalve tot 30 maart 2015.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 december 2014, heeft de stichting verzocht (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige], bijgestaan door mr. Kok-Verheijde;
- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting];
- de vader en de moeder.
2.3.1.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 10 december 2014;
  • de brief met bijlage van de raad d.d. 19 december 2014.

3.De beoordeling

3.1.
Uit het huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], [minderjarige] geboren.
3.2.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] met ingang van 30 september 2014 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld en machtiging verleend aan de stichting om [minderjarige] met ingang van 30 september 2014 tot uiterlijk 30 september 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.
[minderjarige] is op 20 oktober 2014 geplaatst bij de OGH te [vestigingsplaats].
3.3.
[minderjarige] kan zich – voor wat betreft de duur van de uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg – met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
Voor de grieven van [minderjarige] verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.
3.5.
Voor het verweer van de stichting verwijst het hof naar de inhoud van het verweerschrift.
3.6.
Het hof overweegt het volgende.
3.6.1.
Op grond van artikel 10.5 van de met ingang van 1 januari 2015 inwerking getreden Jeugdwet (Jw) geldt (een verzoek om) een machtiging als bedoeld in de artikelen 29b van de Wet op de jeugdzorg, ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 van de Jeugdwet.
3.6.2.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.
Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.6.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.6.4.
Het hof stelt voorop dat aan de gronden voor de plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals genoemd in artikel 6.1.2. lid 2 Jw is voldaan en dat dat verder ook niet in geschil is. Ter zitting van het hof is gebleken dat [minderjarige] met ingang van 22 december 2014 is geplaatst bij IrisZorg in [verblijfplaats], teneinde een meer specifiek op zijn problematiek gerichte behandeling te ondergaan. Naar verwachting zal deze behandeling eind april 2015 zijn afgerond en kan [minderjarige] daarna weer thuis wonen. Gezien de aard van de problematiek en de ernst van de problemen die aanleiding hebben gegeven tot de gesloten plaatsing zijn alle betrokkenen het er over eens dat het van belang is dat de aan de stichting verleende machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg blijft voortduren tot 1 juni 2015, zodat bij terugval direct kan worden ingegrepen. Gelet op de inzet van [minderjarige] en de positieve ontwikkeling die hij toch in een relatief korte periode heeft doorgemaakt, heeft het hof er vertrouwen in dat de aan de stichting verleende machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ook niet langer hoeft te duren dan 1 juni 2015. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
3.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, gedeeltelijk dient te worden vernietigd en het verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen met ingang van 1 juni 2015.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt met ingang van 1 juni 2015 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 september 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
en, in zoverre, opnieuw recht doende:
wijst met ingang van 1 juni 2015 alsnog af het inleidende verzoek van de raad tot verlening van een machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg;
bekrachtigt voormelde beschikking voor wat betreft de periode van 30 september 2014 tot 1 juni 2015;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, O.G.H. Milar en C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.