Appellant is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling op 11 februari 2014. De rechtbank Limburg heeft de regeling tussentijds beëindigd op verzoek van de bewindvoerder wegens vermeende niet-nakoming van verplichtingen en het niet correct nakomen van de inlichtingenplicht. De rechtbank baseerde dit mede op een alcoholverslaving en zelfverwaarlozing.
Appellant betwist de aanwezigheid van een alcoholverslaving op het moment van toelating en stelt dat hij zijn leven op orde brengt, met vrijwillige hulpverlening en correcte nakoming van zijn verplichtingen, waaronder arbeidsplicht en informatieplicht. Hij erkent een terugval in maart 2014, maar geeft aan sindsdien stabiel te zijn en een arbeidsbetrekking te hebben.
De bewindvoerder handhaaft het standpunt dat appellant niet in staat is tot arbeid en onjuiste informatie verstrekt. De beschermingsbewindvoerder kwalificeert de situatie als stabiel en de contacten als goed.
Het hof oordeelt dat appellant op dit moment de kernverplichtingen naar behoren nakomt en dat onvoldoende aannemelijk is dat hij bij het indienen van het verzoek tot toelating feiten heeft verzwegen die tot afwijzing hadden moeten leiden. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging af, met de nadruk op het stipt blijven nakomen van alle verplichtingen.