Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen, verzochten de rechtbank om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €75.861,60, waaronder grote schulden aan de SNS Bank en de Belastingdienst. De rechtbank wees het verzoek af omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren geweest bij het onbetaald laten van hun schulden en onvoldoende inspanningen hadden verricht om extra inkomsten te genereren.
In hoger beroep stelden appellanten dat gezondheidsproblemen en de zorg voor een kind met autisme hun situatie bemoeilijkten, en dat de vrouw ontheven was van het inburgeringsexamen. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende aannemelijk was dat zij de schuldsaneringsregeling naar behoren zouden nakomen. Appellant had geen sollicitaties verricht ondanks gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, en de vrouw had geen pogingen gedaan een betaalde baan te vinden.
Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellanten onvoldoende saneringsgezind waren en onvoldoende blijk hadden gegeven van goede trouw. Daarom werd het vonnis van afwijzing bekrachtigd.