ECLI:NL:GHSHE:2015:2697

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 juli 2015
Publicatiedatum
17 juli 2015
Zaaknummer
20-002366-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 36e Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij en oplegging betalingsverplichting

De veroordeelde werd door de rechtbank Limburg veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, gepleegd op 27 juni 2011. In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank vernietigd vanwege onenigheid over de hoogte van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld aan de hand van het aantal geoogste hennepplanten (322) en het rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht' van november 2010. De bruto opbrengst werd berekend op €31.262,34, waartegenover kosten van €2.239,96 werden gebracht, resulterend in een netto voordeel van €29.022,38.

De betalingsverplichting aan de Staat werd door het hof opgelegd voor dit bedrag, zonder dat omstandigheden waren gebleken die aanleiding gaven tot vermindering. Het arrest werd gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof op 13 juli 2015.

Uitkomst: Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €29.022,38 en legde de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002366-14
Uitspraak : 13 juli 2015
VERSTEK onip

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van
1 augustus 2014, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-197837-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
waarbij de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op het bedrag van € 29.022,38 en aan de veroordeelde de verplichting werd opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot datzelfde bedrag.
Hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 87.055,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot datzelfde bedrag.
De beoordeling
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Limburg van 1 augustus 2014 in de strafzaak onder parketnummer 03-197837-12 tot straf veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 27 juni 2011.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel – waaronder begrepen besparing van kosten – heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde dan wel soortgelijke feiten.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
i.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van voormelde bewijsmiddelen is naar ’s hofs oordeel aannemelijk dat de veroordeelde in ieder geval één maal een hoeveelheid van 322 hennepplanten heeft geoogst voordat de hennepkwekerij door de politie werd ontdekt.
ii.
Het hof neemt voor de berekening van het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel als uitgangspunt het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, standaardberekening en normen’, update 1 november 2010.
Het hof stelt aan de hand van het rapport vast dat de veroordeelde een opbrengst heeft behaald van:
322 hennepplanten à 29,6 gram per hennepplant à € 3,28 per gram = (afgerond)
€ 31.262,34.
iii.
Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht. Het hof zal de kosten vaststellen overeenkomstig de opgave in het hiervoor vermelde rapport:
  • vaste afschrijvingskosten bij een hennepkwekerij van 322 planten, uitgaande van
  • variabele kosten (waaronder kosten in verband met stekken en voedingsstoffen) à
In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van
€ 250,00 + € 1.989,96 =
€ 2.239,96.
iv.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 31.262,34 minus € 2.239,96 =
€ 29.022,38.
De strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is, blijkens de wetsgeschiedenis, te bewerkstelligen dat datgene, dat een veroordeelde aan door een strafbaar feit verkregen profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen.
Op te leggen betalingsverplichting
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken, die voor het hof aanleiding zijn het door de veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.
Het hof zal de veroordeelde tot het beloop van laatstgenoemd bedrag de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelthet bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 29.022,38 (negenentwintigduizend tweeëntwintig euro en achtendertig cent).
Legtde veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 29.022,38 (negenentwintigduizend tweeëntwintig euro en achtendertig cent).
Aldus gewezen door
mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mr. J. Swinkels en mr. J. Platschorre, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,
en op 13 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.