Het geschil betreft de WOZ-waarde van een halfvrijstaande woning gelegen nabij een champignonkwekerij, paardenfokkerij en loonwerkersbedrijf. De heffingsambtenaar gebruikte het kavelmodel voor waardering, terwijl belanghebbende een model toepaste met een correctie voor ligging en overlast.
De Rechtbank had de waarde verminderd van €268.000 naar €259.000, maar het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening hield met de overlast van landbouwverkeer. Het Hof liet diverse vergelijkingsobjecten buiten beschouwing vanwege verschillen in ligging, ouderdom of verkoopomstandigheden.
De kern van het geschil was de waardering van de grond. Het Hof volgde belanghebbendes methode met een lagere liggingsfactor vanwege de overlast, waardoor de grondwaarde werd vastgesteld op €84.360 in plaats van €112.572. De waarde van de woning en bijgebouwen werd eveneens vastgesteld, resulterend in een totale WOZ-waarde van €231.360.
Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de beschikking van de heffingsambtenaar, en legde een vergoeding van griffierecht en proceskosten op aan de heffingsambtenaar.