Partijen zijn in 2003 gehuwd en hebben een minderjarige zoon, die bij de vrouw woont. Na de echtscheiding in 2006 werd de man verplicht €200 per maand aan kinderalimentatie te betalen. In 2014 wijzigde de rechtbank deze bijdrage naar €25 per maand met ingang van 10 februari 2014, zonder terugvordering van teveel betaalde bedragen.
De man ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de wijziging van de alimentatie eerder moest ingaan en dat teveel betaalde bedragen terugbetaald moesten worden. Het hof stelde de ingangsdatum van de wijziging vast op 1 december 2013, omdat de man toen werkloos werd en de vrouw hertrouwde, waardoor de stiefvader ook onderhoudsplichtig werd.
Het hof oordeelde dat de vrouw redelijkerwijs rekening had kunnen houden met een lagere alimentatie vanaf die datum en dat zij het teveel betaalde bedrag over de periode 1 december 2013 tot 10 februari 2014 aan de man moest terugbetalen, omdat de vrouw haar onvermogen tot terugbetaling onvoldoende had onderbouwd.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hof wijzigde de alimentatie en de terugbetalingsverplichting overeenkomstig. Proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.