De vrouw en de man zijn gehuwd geweest en hebben drie kinderen. Na hun echtscheiding is in het ouderschapsplan afgesproken dat de man kinderalimentatie betaalt van €200 per kind per maand vanaf 1 april 2011. De man verzocht in hoger beroep om een lagere alimentatie van €92,37 per kind per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (23 mei 2011). Het hof heeft dit toegewezen en de wijziging met terugwerkende kracht vanaf die datum vastgesteld.
De vrouw stelde niet expliciet dat zij niet in staat was tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie, maar gaf aan slechts een klein inkomen te hebben. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat terugwerkende kracht kan worden toegekend omdat de vrouw niet had gesteld niet te kunnen terugbetalen. Het hof had de gevolgen van terugwerkende kracht en de redelijkheid van terugbetaling aan de hand van het procesmateriaal moeten onderzoeken.
De Hoge Raad bevestigt vaste rechtspraak dat de rechter behoedzaam moet omgaan met terugwerkende kracht bij wijziging van onderhoudsverplichtingen, en dat de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde en redelijkheid van terugbetaling moeten worden meegewogen. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.